|
Olympische ontmoeting van roeier Peter Bakker en waterpoloër Robert Havekotte
Individu en teamsporter
BILTHOVEN – Twee Olympische deelnemers uit Bilthoven, roeier Peter Bakker en waterpoloër Robert Havekotte, ontmoetten elkaar afgelopen week voor het eerst. De één een pure individualist, de ander een teamman. Twee tegenpolen, bleek uit een tweegesprek dat plaatsvond in café van Miltenburg in Bilthoven. Bekend terrein voor Bilts waterpoloër Havekotte, die zijn waterpololoopbaan bij BZC Brandenburg doorliep. Roeier Bakker werd geboren en heeft geroeid in Rotterdam, tegenwoordig woont hij in één van de ijsbaanhuisjes aan de Soestdijkseweg.
“Ze noemen tegenwoordig alles maar sport”, is één van Bakkers gevleugelde uitspraken. Simpelweg bedoelt hij daarmee dat ‘echte’ sport de strijd is die iemand alleen aangaat: de roeier op het water, de hoogspringer tegen de lat, de sprinter die zo snel mogelijk de eindstreep wil halen. “Alle andere soorten sporten, die ik spellen noem, hebben te maken met tegenstanders, coaches, invloed van anderen, of mensen die beoordelen langs de kant. Hockey, voetbal, volleybal noem ik spelletjes. Maar ja, ik ben natuurlijk een oude man en zie het waarschijnlijk anders dan mensen van tegenwoordig! Coaches? Een coach moet in dienst staan van de sporter, en niet andersom. Sporters moeten ook eigenwijs zijn, zelf dingen durven uitproberen, en dan kan een coach kijken of het werkt. Een sporter moet niet puur aan de leiband lopen van een coach, dat gaat niet goed.“ Havekotte ziet dat, uiteraard als waterpolocoach, toch anders. “Onzin. Sport is juist ook iets van samen doen. Als er geen tegenstander is, dan is er geen sport tenslotte. En of je dat individueel of als team doet, dat maakt niet uit. Ik kan me voorstellen dat je een coach bij het roeien eerder een trainer noemt, maar bij bijvoorbeeld waterpolo kun je als coach door wat je van de kant ziet, wedstrijden aanpassen aan wat er op dat moment gebeurt.”
Bakker heeft geen geweldige ervaring met een coach”Wij hadden er vroeger een, die had het telkens over wat de tegenstander deed, en dat wij daarop moesten reageren. Mijn mederoeier Ko Rentmeester op de Spelen werd daar altijd zenuwachtig van. Daar hadden we dus niks aan. Nadat je hard hebt getraind om iets te presteren, moet je het uiteindelijk ook zelf doen. Ik zou er niet tegen kunnen als iemand mij tijdens een wedstrijd nog zou bijsturen”.
Bakker roeide de finale in de dubbeltwee in 1960. Door die zenuwen van zijn mederoeier ging het minder goed: Rentmeester riep na 1500 van de 2000 meter tegen Bakker “Ik kan niet meer’, waarop Bakker terugriep dat hij gewoon moest doorroeien. “Maar ja, ik moest het die laatste 500 meter in mijn eentje doen, we werden vijfde in plaats van eerste of tweede. We hadden het hele jaar vlak voor of vlak achter de Tsjechen geroeid, maar zij werden kampioen”. Havekotte geniet van de anekdote en zegt met pretlichtjes in zijn ogen: “Heb je hem er toen niet halverwege uitgegooid?”
Er is echter één ding wat beide topsporters bindt: hun onvoorwaardelijke liefde voor de Olympische Spelen en de sfeer die heerst. Dat was in 1992 niet anders dan in 1960. Bakker in Rome, en Havekotte in Barcelona. En ze vinden elkaar ook in wat Havekotte heel beslist samenvat met: “Je bedoelt: niet zeiken, maar doen!” Bakker:”Ja, en daar had je een uur geleden al aan moeten beginnen”.
|